Zoltán Kodály

Zoltán Kodály, componist, etnomusicoloog en muziekpedagoog, werd in 1882 geboren in Kecskemét. Zijn moeder was pianiste en zelf kreeg hij vioolles van zijn vader, die ook zong in het plaatselijke kerkkoor. Zo werd zijn belangstelling voor de klassieke muziek al vroeg gewekt; als kind bestudeerde hij in de muziekbibliotheek werken van grote componisten en op 16-jarige leeftijd schreef hij al zijn eerste mis voor koor en orkest.

Hij studeerde cello en compositie aan het conservatorium van Boedapest, waar hij in 1906 promoveerde op een studie over het Hongaarse volkslied. Daar ontmoette hij in 1905 Béla Bartók; hij zou zijn hele leven met hem bevriend blijven. Samen verzamelden zij in heel Zuidoost-Europa talloze volksliederen en -dansen. In Kodály's composities zijn hiervan vele invloeden terug te vinden.

Hij doceerde van 1907 tot 1940 aan het conservatorium van Boedapest. Zijn internationale bekendheid als componist begon in 1926 met Psalmus Hungaricus (Psalm 55). Andere bekende werken van zijn hand zijn de opera Háry János, het ballet Dansen uit Galánta en de Missa brevis. Hij schreef zeer veel koormuziek, vooral voor kinder- en vrouwenkoor. Ook zijn piano- en orgelmuziek en liederen worden gekenmerkt door een sterk Hongaarse klankkleur en ritmiek. De harmonieën zijn bij hem in het algemeen eenvoudiger dan bij Bartók.

Kodály was een groot pedagoog. Op grond van materiaal van anderen ontwikkelde hij een methode voor muziekonderricht aan kinderen en amateurmusici. Hij ging ervan uit dat iedere mens muzikaal is en dat men kinderen op school naast taal ook meteen muziek moest bijbrengen; hoe hoger de klas, hoe meer uren er aan muziek dienden te worden besteed.

In tegenstelling tot Bartók bleef Kodály zijn leven lang in Hongarije. Wel dirigeerde hij na de Tweede Wereldoorlog overal ter wereld zijn eigen composities. Hij overleed in Boedapest in 1967.